Aperitieven op Corsica
Dit eiland, geprangd tussen de Franse zuidkust en Toscane, stond al geruime tijd op mijn verlanglijstje. Het is het eiland waar Napoleon is geboren, maar het staat vooral bekend om de uitdagende GR of ‘Grande Randonnée’ nummer 20. Die staat geboekstaafd als de moeilijkste ter wereld. Dat laatste is te wijten aan de indrukwekkende geologie van Corsica. Voor wie maar moeilijk kan kiezen tussen zee of bergen is Corsica de gedroomde plek. Waar je je ook bevindt, je ziet, hoort en ruikt er overal de zee, maar ook de bergen steken overal trots hun koppen op. De hoogste, de Monte Cinto, is maar liefst 2706 meter hoog en kroont zich tot ver in het voorjaar met een sneeuwlaag.
Omdat Corsica vrij uitgestrekt is, ruw geschat in oppervlakte net iets meer dan één vierde van België, bezocht ik deze keer enkel het noorden van het eiland, vanuit Ajaccio tot Bastia. Wanneer je de auto instapt op de luchthaven word je onmiddellijk met het indrukwekkende landschap geconfronteerd. Het is kwestie van je ogen op de weg te blijven houden, want de wegen zijn er hoofdzakelijk smal, hellend en kronkelend. Over een afstand van honderd kilometer doe je al snel drie uur! Mijn eerste etappe ging van Ajaccio naar Piana, een dorp in de de Calanche streek. Dat doet denken aan de fameuze ‘calanques’ tussen Marseille en Cassis en dat is geen toeval. Deze streek wordt gedomineerd door de roze granietrotsen die soms loodrecht uit de zee oprijzen. In die steile granietkust heeft de zee een hele reeks idyllische baaien en grotten uitgesleten.
Wie Corsica zegt, zegt wandelen. Op mijn allereerste dag trek ik dus dapper mijn wandelschoenen aan voor wat in mijn reisgids als een makkelijke tocht staat aangestipt. Al vrij snel wordt echter duidelijk dat dat ‘makkelijk’ met een stevige korrel (zee)zout moet worden genomen. De ondergrond is erg rotsachtig en er moeten toch wel wat hoogtemeters worden overwonnen. Mijn doel is immers één van de vele torens die langs de kust staan opgesteld. Die torens vormden sinds de middeleeuwen, toen het eiland voortdurend werd geteisterd door piraten, een ingenieus communicatiesysteem. Wanneer een wachter gevaar opmerkte, ontstak hij een vuur dat werd opgepikt door de naburige torens die prompt hetzelfde deden. In geen tijd werd zo het hele eiland verwittigd van het komende gevaar. Veel van die torens staan op het hoogste punt van een klif. Zo ook ‘de mijne’. Die ligt op 300 meter boven de zee. Mijn naarstig klauterwerk wordt echter beloond met een adembenemend uitzicht over de noordwestkust van het eiland. Na de wandeling maak ik vanuit het kuststadje Porto nog een boottocht langs de kust, kwestie van de zaken ook eens van de andere kant, in dit geval de zeezijde, te bekijken. De gids trakteert ons op een aantal mooie baaien en grotten. Wie dit zou willen schilderen, moet een erg uitgebreid kleurenpalet meebrengen.
Mijn volgende etappe brengt me naar de Balagne streek, verder naar het noordwesten. Ik breng er een bezoek aan het stadje Calvi en haar goed bewaarde citadel. Dit verdedigingsbolwerk werd gebouwd in de periode dat de Genuezen heersten over Corsica en herbergt binnen haar muren een wirwar aan smalle straatjes met mooie kleurrijke huizen en een kathedraal. Ook in Corte en Bastia wachten me nog dergelijke citadellen. De balagnestreek staat bekend om zijn kleine dorpjes die in de bergen zijn gelegen. Vooral Pigna is me bijgebleven. Het dorpje liep, net als vele andere, langzaam leeg in de tweede helft van de twintigste eeuw, maar werd door een groep kunstenaars weer nieuw leven ingeblazen. Het oogt nu terug aantrekkelijk en barst van de activiteit. Je vindt er keramiekkunstenaars, juweelontwerpers, muzikanten en zowaar een dame die muziekdoosjes ontwerpt. Eéntje ervan siert nu mijn salontafel en speelt na het opwinden een Corsicaans riedeltje. Op een terras vlak bij de rotspunt waarop het dorp is gelegen, kan je onder het nuttigen van een Cap Corse of een mandarijnijsje, de roofvogels van dichtbij aanschouwen. Zij cirkelen er majestueus rond op zoek naar een prooi in het dal. Ook in deze streek loont het de moeite om de wandelschoenen aan te trekken. Op één van mijn tochten daar kwam ik een slang tegen. Geen paniek echter: de slangen op Corsica zijn niet giftig.
Mijn derde en laatste stop tijdens deze reis brengt me naar de Cap Corse. Dat is als het ware een vinger die het eiland opsteekt naar Frankrijk. Het zou een middenvinger kunnen zijn, want de Corsicanen hebben het nog altijd erg moeilijk met de Fransen. Getuige daarvan de vele borden waar de plaatsnamen in het Frans zijn overschilderd of zelfs kapotgeschoten. Van die sfeer merk ik niets want ook hier weer is het landschap betoverend mooi. Voor ik naar mijn hotel in de noordpunt van de Cap rijdt, breng ik een bezoek aan Bastia, één van de grotere steden op het eiland. De eerste uitdaging daar is het vinden van een parkeerplek. Wanneer dat na zowat een half uur zoeken is gelukt, wacht me de tweede: de klim naar de citadel. Dat loont echter de moeite, want, net als in Calvi, verbergen de muren een goed bewaard middeleeuws stadje. Het uitzicht op de zee en de oude en de nieuwe haven waar de grote ferryboten naar Frankijk en Italië liggen aangemeerd, krijg je er gratis bij.
En zo zit mijn eerste kennismaking met Corsica er bijna op. Ik verlaat het eiland niet zonder nog een laatste pittige wandeling, de fameuze Sentier des Douaniers, een vier uur durende tocht langsheen de kust van Barcaggio naar Macinaggio. De tocht is allesbehalve vlak en trakteert me voortdurend op prachtige uitzichten. De hele tocht door zie ik de Toscaanse archipel liggen in het oosten -dat zijn drie kleinere eilanden waarvan Elba het meest bekende is- en kom ik oude Genuese torens tegen. Op een strand grazen koeien, geen gras, maar verdroogd zeewier. Een gek gezicht. Zijn dat dan ook zeekoeien?
Ik sluit mijn reis af met een zoveelste Cap Corse, een zoet en kruidig aperitief, en een lekkere vers gevangen vis. En intussen maak ik al plannen voor een volgend bezoek aan dit verrassend veelzijdige eiland. Deze eerste kennismaking voelde als een aperitiefje. Ik ben alvast benieuwd naar de volgende schotel. Avedeci Corsica!











